De violoncello da spalla van Sigiswald Kuijken (gebouwd door Dmitry Badiarov)
Sigiswald Kuijken over de 'violoncello da spalla'

Dat er in de late 17de eeuw melding werd gemaakt van de viola (en violoncello) da spalla, was een gegeven dat al vele jaren ergens in de reservekamer van mijn geheugen was opgeslagen. Sporadisch werd dit sluimerend besef wel eens bijna uit zijn rusttoestand binnen in mij gehaald – maar pas sinds kort is het in alle hevigheid zijn plaats in mijn gezichtsveld komen opeisen. Dit gebeurde vooral naar aanleiding van het kritisch in vraag stellen van sommige huidige geplogenheden inzake orkestbezettingen, met name het gebruik van naar onder octaverende strijkbas-instrumenten (zogenaamde ‘16-voet’ instrumenten, zoals de welbekende contrabas). Dit kritisch beschouwen stond dan weer in verband met het feit dat wij met onze Petite Bande sinds ca. vier jaar bij uitvoeringen van J.S. Bachs cantaten (en andere werken met vocale medewerking) zijn overgestapt naar het gebruik van één zanger per partij in plaats van een ‘koor’ in te schakelen – geheel in overeenstemming overigens met de bevindingen van ver doorgedreven onderzoek tijdens de laatste twintig jaar. Deze nieuwe klankverhoudingen brachten inderdaad als vanzelf een vergaande herbronning teweeg óók wat betreft de instrumentale praktijken: het spreekt vanzelf dat bij een ‘enkele’ vocale bezetting ook een juist uitgebalanceerde instrumentale begeleiding hoort. De talrijke overgebleven originele ‘sets’ van individuele instrumentale en vocale partijen van cantaten etc. van J.S. Bach, alsook commentaren uit traktaten uit die tijd, en daarbij wat ik zou durven noemen ‘conclusies van het gezond verstand’ brachten ons ertoe het gebruik van de 16-voets basinstrumenten in deze context als een misverstand en als inderdaad overbodig of zelfs belastend te beschouwen. Zodoende kwam de gehele instrumentale bas-sectie onder onze bijzondere aandacht te liggen.
In de overgrote meerderheid van de werken van uit de 17de en de vroegere 18de eeuw (tot ca 1740-1750) is de (strijk)baspartij aangeduid met
het woord violone, of alleen basso. De benamingvioloncello is in dat verband een grote uitzondering (na 1730 neemt deze benaming langzaam toe).

Nu blijkt bij nader toezien, dat de term violoncello – áls hij al werd gebruikt, en het was zoals net gezegd eerder zeldzaam! - tot ca. 1730 (en vaak nog later) hoegenaamd niet het instrument aanduidt dat wij er heden ten dage onder verstaan. Violoncello werd in die jaren steevast beschreven (in traktaten en overzichtswerken uit de 17de eeuw tot diep in de 18de eeuw, zoals Adlung in 1758!) als de bas-versie van de viola da braccio-familie waartoe ook de ‘gewone’ viool en altviool behoren , dat wil zeggen: op de arm (braccio) gespeeld (in tegenstelling tot tussen de benen, zoals bij de viola da gamba-familie). Wegens zijn afmetingen – een basinstrument is immers steeds groter dan een alt- of sopraaninstrument – werd deze violoncello evenwel niet zoals de viool of altviool tegen de hals gelegd over de linkerarm , maar met een band om de nek gehangen en ongeveer horizontaal tegen de rechterschouder aangeleund, voor de borst hangend dus. Deze houding, die in feite een variante, een aanpassing is van de da braccio-houding, werd genoemd da spalla (Italiaans voor schouder). Het basinstrument dezer braccio-familie, waarvan hier dus sprake, werd zowel viola da spalla als violoncello da spalla genoemd (zie bijvoorbeeld bij Bismantova, 1677); viola da brazzo of braccio duidde op ‘onze’ altviool – soms zelfs ook ‘onze’ viool. Strikt taalkundig is violoncello een verkleinwoord van violone (een kleine violone dus) – waarbij violone staat voor een ‘grote’ (zeg maar héél grote) viola en violino (viool) voor een ‘kleine’ viola.

De violone werd nooit da spalla gespeeld, maar is wegens zijn grootte per definitie een verticaal tussen de benen of vaak op de grond rustend strijkinstrument (naargelang zijn afmeting). Het instrument bestond in ‘8 voet’ (dat wil zeggen klinkend zoals het staat genoteerd) én in 16 voet (één octaaf lager klinkend dan genoteerd, zie hierboven). De violone in kleinere bezettingen was meestal de 8-voet versie, en bestond dan nog in verschillende varianten, met 4, 5 of 6 snaren; in Frankrijk werd dit de basse de violon genoemd, en werd het meestal gestemd één toon onder ‘onze’ cello, met 4 snaren dus; deze basse de violon ziet er uit als een (voor ons gevoel) veel te grote cello (en werd nooit violoncello genoemd). Dat zelfde instrument–type was over heel Europa verspreid, en was het meest gebruikte 8-voet basinstrument (bij Corelli en zoveel anderen als ‘violone’ aangeduid in de partituur). Bij grote bezettingen (bijvoorbeeld in rijk voorziene kerkmuziekuitvoeringen of hofmuzieken) werd dit 8-voet basinstrument nog bijgestaan door de 16-voets violone (ook “contrabasso” genoemd, bijv. onder Corelli in Rome, begin 18de eeuw).

Wat was dan weggelegd voor de violoncello [die steeds da spalla was]? Zoals gezegd werd dit instrument in die tijd zelden expliciet voorgeschreven: zo komt het bij Bach alléén voor in zijn zes beroemde Suites pour le violoncelle , in de Brandenburgse Concerti en in enkele van zijn cantates. In deze cantates wordt dan aan de violoncello steeds een solo-rol gegeven , een ‘obligato’partij zoals bijvoorbeeld aan een fluit of een hobo in andere gevallen; deze voor violoncello geschreven partijen werden vaak in de partij van de eerste violist gekopieerd, soms ook op een apart blaadje – maar (en dit is zéér betekenisvol!) nooit in de partij der bas-spelers, die als violone of basso betiteld waren . Dit past dus naadloos in het beeld dat we uit de bronnen tot ca 1740 te zien krijgen omtrent de violoncello als zijnde da spalla (en vandaar eerder door violisten bespeeld dan door ‘violone’spelers , die immers nooit ‘da spalla’ speelden).
Door zijn kleiner volume heeft de viola da spalla (schoudercello) uit die tijd een totaal andere klank dan de basso of violone die wel vaak twee of drie maal zo groot is – hij werd dan ook nooit als ‘orkest-basinstrument gebruikt, maar alleen als speciale kleur in welbepaalde situaties, zoals ook bijvoorbeeld een blokfluitsolo in cantates kan voorkomen. In kamermuziekverband werd de violoncello [da spalla, steeds] echter wél als basso continuo-instrument gebruikt en geprezen – met name J. Mattheson in de vroegere 18de eeuw roemt de bijzonder rijke resonantie die aan de spalla eigen is: géén ander instrument is zo geschikt voor de begeleiding van hoge melodie-instrumenten (fluit, viool…) zegt hij in zijn “Neu-eröffnetes Orchester” (1713).

Rond 1732 vinden we de eerste aanduidingen dat ‘er tegenwoordig ook spelers zijn die de violoncello niet meer da spalla (tegen de schouder) bespelen maar tussen de benen vasthouden’ – dit is ook de periode waar de trend begint om de [wat wij zouden noemen] ‘grote celli’, 8- voet violones of basses de violon dus, te verkleinen tot veel handiger bespeelbare formaten: daar ligt dan de oorsprong van het instrument dat wij tegenwoordig als violoncello kennen, en dat trouwens in die tijd ook de naam violoncello overneemt van de vroegere spalla.
De opkomst van deze nieuwsoortige ‘cello’, tussen de benen bespeeld, en met zijn uiteraard toch groter fysiek volume en ook sterker van klank, betekende langzaam maar zeker de uiteindelijke ondergang van de viola da spalla.
Toch blijft de spalla-cello nog een tijd lang in gebruik, naast het modern (lees: ‘ons’) model. Zo schrijft Adlung (zie hoger) in 1758 nog dat de ‘violoncello’ de viola da spalla ís. .… Leopold Mozart in zijn beroemde vioolmethode uit 1756 vertelt (bijna als een ‘nieuwtje’, zo lijkt het) dat ‘tegenwoordig ook de cello wordt tussen de benen gehouden [wordt]’… Wat toch duidelijk impliceert dat dit nog niet zo lang geleden niet het geval was…

In februari 2004 maakte vioolbouwer Dmitry Badiarov (zelf ook barokviolist en regelmatig medewerker bij La Petite Bande) in Brussel een violoncello da spalla voor mij, naar de afmetingen van twee nog bestaande oude voorbeelden en één in de oorlog verdwenen instrument uit Leipzig . Alle drie deze instrumenten zijn toegeschreven aan Hoffmann in Leipzig, ca 1723 (precies de tijd waarin J.S. Bach in een paar cantates de violoncello en violoncello piccolo begon te gebruiken) [De legende dat Bach in die jaren de zgn. viola pomposa uitvond, heeft zonder twijfel betrekking op deze cantate-fragmenten, en me dunkt is het aan te nemen dat de toeschrijving aan Hoffmann ook een deel van deze legende is – Hoffmann was Bach bekend volgens het verhaal, maar de naam viola pomposa is in geen enkel Bach-werk te bekennen.]

Het instrument beantwoordt geheel aan de beschrijvingen uit Bachs tijd. Het heeft een klinkende snaarlengte van 46 cm.; de zijwanden zijn ongeveer 9 cm hoog – het is aldus een zeer grote (vooral hoge) ‘altviool’, zouden wij nu zeggen. Het heeft (zoals toen in de meeste gevallen, naar ik vermoed) 5 snaren (4 zoals onze gewone cello, met daarboven nog een hoge e’-snaar). Ik bespeel het zoals in de oude bronnen is aangegeven: het hangt quasi-horizontaal met een band rond de hals,voor de borst, en steunt tegen de rechter schouder.
De snaren en de strijkstok zijn speciaal voor het instrument gemaakt naar oude conventies. Zowel de bouwer als ikzelf zijn verrast door de grote mate van praktische en artistieke ‘evidentie’ die we al mochten vaststellen bij deze eerste poging om de ‘schoudercello’ weer tot leven te brengen. Het is dan ook zonder enig voorbehoud dat ik besloot om dit instrument in de toekomst te zullen gebruiken in de Bach-cantates waar het is voorgeschreven, en ook in andere genres van werk van Bach en anderen , waar het zonder enige twijfel zijn eigenlijk gebruik zal terugvinden.

Deze geleidelijke evolutie, die leidde naar het opnieuw bouwen en bespelen van deze violoncello (of viola) da spalla, is uiteraard het resultaat van veel samenspraken, discussies en correspondentie met gelijkgezinden; onder hen moet ik in de eerste plaats mijn broer Wieland vernoemen, die al jaren geleden de mening opperde dat alle cellosuites van Bach wel eens zouden voor schoudercello kunnen gedacht geweest zijn, en niet alleen de zesde suite, die expliciet 5 snaren vraagt en duidelijk voor de spalla-houding en vingerzettingen is gedacht…. Verder moet ik vooral Lambert Smit noemen, altviolist uit Groningen die de laatste jaren onverdroten opzoekingen verrichtte over deze hele samenhang der dingen: de violone bij Bach en in zijn tijd, de spalla en zijn eigenlijk gebruik, etc. Hij is het geweest die mij de energie toestak, en de passie, om me er zélf ook intensief mee te gaan bezighouden, met nu alle gevolgen van dien… En tenslotte (last but not least) Dmitry Badiarov die met veel zin voor experiment, een enthousiasme zonder grenzen en vooral een grote vakkundigheid bereid was mee in dit avontuur te stappen.

Sigiswald Kuijken





• De website van Dmitry Badiarov met meer informatie over de Violoncello da spalla




Concerten

www.prelude-klassiekemuziek.nl