Bach uit het land van de rijzende zon

In 1995 is de Japanse klavecinist, organist en dirigent Masaaki Suzuki (1954) met het door hem in 1990 opgerichte Bach Collegium Japan gestart met het opnemen van de complete reeks cantates van Johann Sebastian Bach (1685-1750). Inmiddels is de serie, die voltooid moet zijn in 2015, gevorderd tot deel 44. Daarnaast vermeldt de discografie van Suzuki ook Bachs Magnificat en Weihnachtsoratorium, diens Johannes– en Matthäus-Passion, het Paas- en Hemelvaart-oratorium, de Clavier Übung III, alsmede kerkelijke composities van Schütz, Händel, Ahle, Buxtehude, Zelenka, Kuhnau en Claudio Monteverdi. Zijn solo-opnamen van klavecimbel-werken van Bach blinken uit door uitzonderlijke schoonheid. Ditzelfde mag gezegd worden over de uitvoeringen van Bachs vioolconcerten met als solist Ryo Terakado en de Brandenburgse concerten.
‘Onze muziek’ uit het land van de rijzende zon. Kan dat eigenlijk wel? In onderstaand verslag wordt een poging gedaan die vraag te beantwoorden.
Vanzelfsprekend zijn alle BCJ-opnamen te beluisteren in de Prelude-winkel (en uit voorraad leverbaar!).

In het najaar van 1995 wordt op het Zweedse cd-label BIS de eerste cd uitgebracht van wat uiteindelijk een complete editie Bach-cantates moet worden, uitgevoerd door Masaaki Suzuki en het door hem in 1990 opgerichte Bach Collegium Japan (BCJ). Met Bachs kerkelijke composities al compleet op geluidsdrager vereeuwigd door het pionierskoppel Leonhardt/Harnoncourt (Teldec) en de Duitser Helmuth Rilling (Hänssler) zouden vraagtekens geplaatst kunnen worden bij dit Japans/Zweedse initiatief.

Een volgende knellende vraag volgt dan automatisch: Bachs gewijde nalatenschap uit het land van de rijzende zon, kan dat eigenlijk wel? Rilling antwoordt, als hem die vraag uit reformatorische hoek wordt gesteld, weliswaar bevestigend (‘Ik zei natuurlijk ja, want je kunt geen hele bevolkingsgroep uitsluiten’), maar vindt toch eigenlijk dat het uitvoeren van Bachs religieuze composities vooral is voorbehouden aan christen-musici. In Nederland is Ton Koopman, een leermeester van Suzuki, voor het Franse Erato bezig met het vastleggen van zijn Bach-cantatereeks, een 10-jaren project dat inmiddels de helft is gepasseerd. (Inmiddels is het Koopman-project voortgezet, voltooid en worden de opnames uitgebracht door zijn eigen cd-label Antoine Marchand.) Zowel Rilling als Koopman, die beiden religie als belangrijke bron zien bij het onderzoeken en uitvoeren van Bachs kerkelijke nalatenschap, moeten tevreden zijn over de door Suzuki ontplooide initiatieven.

Masaaki Suzuki groeide op in een Japans protestants milieu en is nog steeds overtuigd christen. Hij uit zich wat genuanceerder dan Rilling als hij spreekt over de relatie geloof en Bach. ‘Ik ben het niet eens met hen die zeggen, dat niet-christenen geen goede relatie met Bachs kerkelijke composities zouden kunnen hebben en ik vind dan ook niet dat het christelijk geloof noodzakelijk is om te kunnen genieten van die muziek.’
Tegelijkertijd is Suzuki van mening dat zijn geloofsovertuiging hem wel degelijk helpt bij het uitvoeren van Bachs ecclesiastische werken. ‘Sommige aspecten van Bachs religieuze muziek zijn denk ik niet te zien door de bril van een niet-gelovige. Maar het is altijd moeilijk te discussieren over zaken die het geloof raken. Ik kan alleen voor mijzelf spreken en dan zeg ik; dankzij mijn geloofsovertuiging denk ik er in te slagen bepaalde elementen van Bachs muziek beter te kunnen doorgronden.’

Alhoewel Japanse musici al decennia lang de westerse muziekpodia bevolken, is het een aparte gewaarwording ‘ons’ gewijde culturele erfgoed door ‘hen’ te horen en zien uitvoeren. Wat dat betreft zijn vooroordelen diep geworteld. Suzuki, geconfronteerd met deze vooringenomenheid: ‘Het is de eerste keer dat een Japanse groep zich aan zo’n groot project waagt. Maar voor mij is deze activiteit een zeer natuurlijke expressie van mijn geloof en ook de logische consequentie van mijn muzikale leven tot nu toe.
De Japanner ziet de cantates van Bach als een product van de Duitse cultuur en dus onlosmakelijk verbonden met de Duitse taal. ‘Dat bezorgt Japanners wel een paar moeilijkheden, niet alleen waar het de Duitse uitspraak betreft, maar ook het daaruit voortvloeiende gevoel voor fraseringen en articulatie. Daarbij komt nog dat de voor Bachs werken zo wezenlijke muzikale structuur en het contrapunt vreemd zijn in de Japanse muziektraditie.’
Suzuki onderzoekt deze aspecten dan ook nauwgezet; het is voor hem sowieso onmogelijk Bachs muziek te kunnen doorgronden “zonder haar puur technische en muziekwetenschappelijke kant te begrijpen.”

Robin Blaze (l) laat zich een traditioneel Japans gerecht goed smaken
Robin Blaze (l) laat zich een traditioneel Japans gerecht goed smaken

Voor de diverse projecten van het BCJ nodigt Masaaki Suzuki, daar waar goede Japanse solisten (nog) niet voorhanden zijn, Europese vocalisten uit om zijn team te versterken. Zo is de Duitse tenor Gerd Türk regelmatig te gast, werkt de Nederlandse bas Peter Kooij mee aan vrijwel alle BCJ-projecten en maakt de Engelse countertenor Robin Blaze sinds het vertrek van zijn Japanse evenknie Yoshikazu Mera steeds vaker deel uit van Suzuki’s ensemble. Ze treden niet alleen op als solist, maar maken dikwijls ook deel uit van het koor en fungeren zo tevens als leraren voor de veelal jonge Japanse vocalisten.
Tijdens de repetities besteedt Suzuki ruim aandacht aan het voor de meeste van zijn musici onbekende bijbelverhaal dat ten grondslag ligt aan het uit te voeren kerkelijke werk. Hij zegt zo een fris enthousiasme op te roepen, dat veel helpt om de noten uit te voeren. Dat dit geen holle frase is getuigen de superlatieven waar de internationale muziekpers haar BCJ-besprekingen mee lardeert; Masaaki Suzuki’s Bach-interpretaties mogen gerekend worden tot de beste.

‘Die Japaner können singen’

September 1999 – De Onze Lieve Vrouwe Kerk in het centrum van de Duitse hanzestad Bremen is tot de laatste plaats bezet. Voor het eerst presenteert het BCJ zich ‘live’ op Duitse bodem. Het programma vermeldt drie Bach-cantates, waaronder de beroemde ‘Herz und Mund und Tat und Leben’ (BWV 147). Na het openingsdeel van de cantate ‘Die Himmel erzählen die Ehre Gottes’ (BWV 76) is het gedaan met de lichte onzekerheid. Niet alleen de instrumentalisten van het BCJ weten te imponeren, ook koor en solisten ontlokken blikken van verbazing en bewondering. De toehoorders lijken op eigen bodem verslagen te worden. Ademloos luistert men naar Makoto Sakurada’s vertolking van de tenor-aria ‘Hilf, Jesu, hilf, dass ich dich auch bekenne’. Als het BCJ met het koraal ‘Jesus Bleibet meine Freude’ het concert heeft afgesloten, is de bijval van het publiek groot. ‘Die Japaner können singen, ja!’, vertrouwt een vrouw van middelbare leeftijd haar begeleider toe. Een avond later heerst er in de touringcar die het ensemble terug brengt van Bremerhafen naar het statige Parkhotel in Bremen een prima sfeer. Inderhaast verzamelde tinnetjes bier vinden gretig aftrek; ook het publiek in de Bürgermeister-Schmidt-Gedächtnis-Kirche is veroverd getuige de staande ovatie die het BCJ na het concert ten deel viel.

Bach Collegium Japan tijdens repetitie in Kobe
Bach Collegium Japan tijdens repetitie in Kobe

‘Vader der Componisten’

Februari 2000 – Het Bach-jaar is nog maar amper begonnen. In Nederland culmineert de Bach-herdenking zich in de metalen uitstallingsmanden van ’s lands grootste drogisterijketen, waarin het complete oeuvre van de Duitse componist te grabbel is gegooid. Doosjes met telkens vijf cd’s vol met Bach-cantates uitgevoerd door het Netherlands Bach Collegium onder leiding van Pieter Jan Leusink vliegen als de warme broodjes voor nog geen vijftien gulden de winkels uit.
Ook in Japan wordt niet voorbij gegaan aan de herdenking van de sterfdag van de Vader der Componisten. Een levensgrote kartonnen Bach wijst bezoekers de weg naar de klassieke cd-afdeling van ’s werelds grootste filiaal van Tower Records in Shibuya, het koopcentrum van Tokyo. Vrijwel alles van wat er van Bach op cd is vastgelegd, is er te vinden. Een zoektocht naar de cd’s van het Netherlands Bach Collegium levert echter niets op. Zouden dergelijke Bach-interpretaties in Japan bestaansrecht hebben of is men daar de wat verlate waarschuwing van de Nederlandse Bachvorser, Maarten ’t Hart, dat deel van de Kruidvat-editie toch vooral niet aan te schaffen, ter ore gekomen?

In de gloednieuwe concertzaal van de Tokyo Opera City hebben ruim duizend belangstellenden hun plaats ingenomen. Voor een doordeweekse avond in Tokyo, waar de economie vierentwintig uur per dag op volle toeren lijkt te draaien, een opkomst die de manager van het BCJ, Hiroyuki Takeda, tot grote tevredenheid stemt. Op een bij tijd en wijle onwillige natuurtrompet na brengen Suzuki en de zijnen een uitermate bekorende, maar bovenal devote Bach over het voetlicht. De gezichtsuitdrukkingen van het Japanse publiek mogen weinig enthousiasme verraden, het applaus na afloop van het concert is oorverdovend en langdurig. Een gelaat dat de gepassioneerde bijval wel weerspiegelt, is dat van de chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, Ricardo Chailly. Met zijn orkest op wereldtournee doet hij een aantal dagen Japan aan. Hij benut zijn spaarzame vrije tijd in Tokyo om het BCJ-concert bij te wonen. Als er al vooroordelen bestaan over Japanners die aan de haal gaan met ‘ons’ cultuurgoed, dan niet bij Chailly. Hij zegt geïnteresseerd te zijn in de historische uitvoeringspraktijk. ‘In Nederland bezoek ik regelmatig concerten van Frans Brüggen en Ton Koopman.’ Gevraagd naar zijn opinie over de ‘Japanse Bach’ antwoordt Chailly: ‘Ik ben een groot liefhebber van Bach. Van de hoge kwaliteit van het Bach Collegium Japan en van datgene wat ik hier vanavond gehoord heb, ben ik uitermate onder de indruk.’

De thuisbasis Kobe

De treinreis van Tokyo naar het ruim vierhonderd kilometer zuidelijker gelegen Kobe neemt zo’n drieenhalf uur in beslag. Het merendeel van de tijd wordt het uitzicht bepaald door stedelijke bebouwing. Tokyo vloeit naadloos over in Yokohama, terwijl Kyoto, Osaka en Kobe een stad lijken te vormen. Tijdens de reis vertelt Robin Blaze over het plezier dat hij beleeft aan het regelmatig samenwerken met Masaaki Suzuki’s BCJ. ‘Ik ontmoet er steeds weer dezelfde unieke sfeer. Het BCJ is als een vriendenclub waar samen gewerkt wordt op basis van gelijkheid. Natuurlijk zet Masaaki de muzikale lijnen uit, maar nooit op een autoritaire manier. Tegen de cd-opnamen van de komende dagen zie ik dan ook absoluut niet op, sterker nog ik zie er naar uit. Ik weet dat de opnamen in een ontspannen ambiance zullen verlopen.’

Interieur Shoinkapel
Interieur Shoinkapel

Van de zware aardbeving die Kobe in 1995 teisterde, getuigen nog de vele open plekken in de nauwe straatjes tussen de huizen achter de façades van de drukke doorgaande wegen. Daarnaast wemelt het in de miljoenenstad van verhoogde bouwactiviteiten. Kobe mag zich de thuisbasis noemen van het BCJ, dat gemiddeld voor zo’n vier Bach-projecten per jaar bij elkaar komt. Alle cd-opnamen van het ensemble vinden plaats in de kapel van de plaatselijke Shoin Women’s University.

Een eerste confrontatie met de kapel wekt verbazing op. De ruimte die gesuggereerd wordt bij het beluisteren van de cd-opnamen van het BCJ creeert een beeld van een veel grotere kerk. Als Robin Blaze het recitatief ‘O Schmerz, o Elend’ uit cantate BWV 48 inzet, ervaar je als toehoorder de rijke akoestiek van de kapel en begrijp je de enthousiaste verhalen die er de ronde over doen. De opnamen zullen vier dagen in beslag gaan nemen. Bij elk deel van de op te nemen cantates wordt steeds dezelfde procedure gevolgd.

Hans Kipfer
Hans Kipfer

Na een microfooncheck wordt de passage in haar geheel uitgevoerd. In de controlekamer drommen vervolgens de musici zich samen met BIS-opnameleider Hans Kipfer voor de luidsprekers om te luisteren naar het opgenomen deel. Er worden verbaal wat puntjes op de i gezet, waarna de eigenlijke registratie een aanvang neemt. Het vastleggen van de diverse recitatieven en koralen neemt de minste tijd in beslag. Voor de aria’s en koren zijn wat meer takes nodig eer het bevrijdende ‘uitstekend, ik heb het, dank jullie wel’ uit de monitor-luidspreker klinkt.

De vraag is gerechtvaardigd, wanneer zal het BCJ in Nederland te bewonderen zijn?* Op aanbiedingen van Japanse zijde werd door Nederlandse zaaldirecteuren in het gunstigste geval voorlopig afwijzend gereageerd. Gelet op de diverse Bach-projecten van eigen bodem moet gevreesd worden, dat op uitnodigingen inderdaad nog even zal moeten worden gewacht. Gelukkig bestaat er inmiddels een respectabel aantal begerenswaardige cd-opnamen van het BCJ, zodat de liefhebber zich in elk geval thuis kan trakteren op Suzuki’s visie op Bach.