Bespiegelingen op een Goede Vrijdag… en over het zuur van Haitink

Terwijl buiten de sneeuwvlokken neerdwarrelen, in Naarden het boven ons gesteld bevoegd gezag – al dan niet in slaap gesukkeld – zijn jaarlijkse bijwoningsplicht vervult, vertrouw ik wat Goede Vrijdag-bespiegelingen toe aan het toetsenbord van mijn MacBook Pro. Lees verder Bespiegelingen op een Goede Vrijdag… en over het zuur van Haitink

Wonderbaarlijk mooie Mattheuspassie

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het de Amerikaanse musicoloog Joshua Rifkin die de wijze van uitvoeren van Johann Sebastian Bachs religeuze koorwerken ter discussie stelde. Zijn op wetenschappelijke basis gestoelde visie, dat Bach in zijn tijd die composities liet weerklinken in een vrijwel enkelvoudige bezetting, baarde binnen het wereldje van de oude muziek veel opzien. Lees verder Wonderbaarlijk mooie Mattheuspassie

Zelfs ontdekker Bachs strofearia vindt twaalf teveel

In de oktober 2005-editie van het muziektijdschrift Luister wordt de ontdekker van de Bachs strofearia Alles mit Gott und nichts ohn’ ihn, de Duitse musicoloog Michael Maul, aan het woord gelaten over de ‘vondst van zijn leven’. Hij doet een aantal opmerkelijke uitspraken. Lees verder Zelfs ontdekker Bachs strofearia vindt twaalf teveel

Ook Ton Koopman hanteert het fileermes

Recensent Thiemo Wind schrijft in de Telegraaf (19-09-2005) over de ‘nieuwste aria van Bach’. Hij noemt Alles mit Gott und nichts ohn’ ihn een ‘gelegenheidswerkje’ dat maar 12 minuten en twintig (= tien) seconden duurt. Wind maakt in zijn recensie geen melding van Gardiners inkorting. Wel tekent hij aan dat er nogal houterig wordt gemusiceerd. Dat dan weer wel. Lees verder Ook Ton Koopman hanteert het fileermes

Gardiner zet het mes in Bach

Begin juni 2005 stond de wereld even een moment stil bij Johann Sebastian Bach (JSB). Een aan het Bach Archiv Leipzig verbonden musicoloog ontdekte in de archieven van de Herzogin Anna-Amalia bibliotheek van Weimar een onbekend manuscript van JSB. Het bleek te gaan om een verjaardagwens bestemd voor de 52e geboortedag van JSB¹s toenmalige broodheer hertog Wilhelm Ernst von Saksen-Weimar. Lees verder Gardiner zet het mes in Bach

Bach Archiv Leipzig gunt nieuw ontdekte compositie van J.S. Bach aan arrogante Engelse Lord

Even verkeerde het klassieke muziek minnende deel van de wereld in grote staat van opwinding. Vanuit het Duitse Leipzig kwam het bericht over de ontdekking van een onbekend werk van Johann Sebastian Bach. Bij toeval vond een medewerker van het Bach Archiv Leipzig het in een oude schoenendoos in de Herzogin Anna-Amalia bibliotheek van Weimar. Lees verder Bach Archiv Leipzig gunt nieuw ontdekte compositie van J.S. Bach aan arrogante Engelse Lord

Verongelijkt organist frontaal in de aanval

In de Volkskrant van 5 maart 2005 is een bijdrage te lezen van de Utrechtse organist en musicoloog Gert Oost. Hij opent frontaal de aanval op wat hij noemt de ‘Georganiseerde Authentieke Historische Uitvoeringspraktijk’. Vooral de wijze waarop sommigen uit die hoek omgaan met de muzikale nalatenschap van Johann Sebastian Bach is voor hem een steen des aanstoots. Als oud-leerling van dr. Anthon van der Horst, hij leidde het koor en orkest van de Nederlandse Bachvereniging van 1931 tot 1965, hekelt Oost de opvattingen van hen die menen dat het werk van Bach het meest tot zijn recht komt op authentiek instrumentarium én in kleine bezetting.

Joshua Rifkin
Joshua Rifkin

De discussie over wat is gaan heten ‘Het Essentiële Bachkoor’ is in 1981 aangezwengeld door de Amerikaanse musicoloog Joshua Rifkin. Na gedegen bronnenonderzoek kwam hij tot de conclusie dat het Bachs gewoonte was zijn ‘koorwerken’ uit te laten voeren door slechts een kwartet van vier zangers (sopraan, alt, tenor en bas). Dit zogenoemde concertisto-kwartet liet hij waar nodig versterken door een viertal ripienisten. Rifkin liet zijn pleidooi voor een kleine Bachbezetting vergezeld gaan van een overtuigende versie op geluidsdrager van Bachs Hohe Messe. Met zijn zienswijze oogstte Rifkin voornamelijk hoon. Met name representanten van de gevestigde koortraditie – al dan niet uit authentieke kring – waren niet mals in hun kritiek. Wat dacht die rare Amerikaan wel niet! Het lef zo af te rekenen met ‘onze’ Bachtraditie! Een beetje raar was die gepikeerdheid wel. Al in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog pleitten gezaghebbende Nederlandse en Duitse musicologen voor een bescheidener Bach. Onder hen de hooggeleerde Prof. Dr. Gerardus van der Leeuw (1890-1950). Deze latere minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen gaf al in 1937 een kleinere maat aan voor het Bachkoor. Het vocale werk in de Mattheus passie zou naar zijn opvatting geklaard kunnen worden door slechts een twaalftal zangers en dat inclusief de solisten. Let wel, in die dagen meende men het Mattheus verhaal kracht bij te moeten zetten door de inzet van mega-koren.

bachchoir_parrott
‘The Essential Bach Choir’

Rifkin wachtte na zijn geruchtmakende pleidooi voor een minimale Bach zoals gezegd voornamelijk verzet. Slechts enkelen, onder wie de Engelsman Andrew Parrott, muzikaal leider van de Taverner Choir, Consort and Players en ook de Belg Sigiswald Kuijken, lieten zich overtuigen door zijn zienswijze. Van Parrott verscheen in 2000 het boek The Essential Bach Choir (Boydell & Brewer Ltd, ISBN: 0851157866). Aan de hand van gedegen onderzoek komt ook Parrott tot de conclusie dat de idee van Bach-in-kleine-bezetting zo gek niet is. Hij toont aan dat de solistische bezetting gewoon het gereedschap was waar Bach het mee deed in het Lutherse Leipzig. Parrott weet te overtuigen met door bewijzen onderbouwde argumenten. Dat doet Gert Oost niet. In zijn Volkskrantverhaal ridiculiseert hij de authentieke beweging. Hij kleineert, sneert en hanteert het wapen van de belachelijkheid. Oost ziet geen enkel heil in de historische uitvoeringspraktijk. Hij doet die beweging af als een religie die een slagorde creëert en slechts uit is op productvernieuwing. Zijn hele betoog blijkt vooral een aanval te zijn op de artistieke leiding van de Nederlandse Bachvereniging. Die heeft het bestaan te besluiten voortaan Bachs nalatenschap uit te voeren in de geest van Rifkin en Parrott, of beter gezegd, in die van Bach. Zijn conclusie laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De Van der Horst-adept is van mening dat de Nederlandse Bachvereniging de tent wel kan sluiten. ‘Ten ondergegaan aan eigen originaliteit. Want als je het begrip ‘authenticiteit’ zo gebruikt, delf je je eigen graf.’

Het verhaal van Gert Oost blijkt een ingekorte versie te zijn van een langer betoog dat te vinden is op zijn website. Hij belijdt er zijn liefde voor de opvattingen van zijn leermeester dr. Anthon van der Horst. Niet zo verwonderlijk, want de Utrechtse musicoloog publiceerde een Van der Horst-biografie. Maar Gert Oost blijkt ook dag in dag uit bezig te zijn met Bach. ‘Werkend aan een boek over “Een Jaargang Bachcantates” behandel ik tekst en inhoud van circa 60 cantates in volgorde van het kerkelijk jaar en dus grotendeels in de volgorde waarin Bach ze componeerde, uitschreef, instudeerde en op zondag in de kerkdienst uitvoerde. Bachs muziek is fascinerend, eerlijk gezegd de teksten ook, ze laten zich moeilijker doorvertalen naar onze tijd, maar nu ik de taal ken (en zelfs vaak ongemerkt een beetje spreek) ben ik ook door de teksten zeer geboeid. […] Ik woon momenteel ongeveer bij Bach in. Vanuit zijn werkkamer, leslokaal en orgelzolder krijg ik de kans ongelooflijk veel informatie op muziekhistorisch en muziektheoretisch gebied doorgeven aan wie het maar wil horen: fascinerend!’

Wat is dat toch een raar fenomeen. Je eigen verhaal kracht van bewijs geven door net te doen alsof je de bewijsvoering uit eerste hand hebt verkregen. Van de grote meester zelf en hij is het nog met je eens ook! Gert Oost is niet de enige die bij tijd en wijlen paranormale ervaringen heeft. Ton Koopman, ook al geen fan van Rifkins en Parrotts opvattingen, kreeg Bach tijdens een Amsterdams cantate-concert op bezoek en bij het reconstrueren van de Markuspassie keek de componist zelfs over de schouder van Koopman mee.

Waarom bij Gert Oost de afwijzende aap eerst vijfentwintig jaar na Rifkins pleidooi voor een Bach-in-kleine-bezetting uit de mouw komt, wordt duidelijk als hij op zijn website vervolgt: ‘Toen ik vlak voor kerst vorig jaar [2004, KK] een gesprek had met Jos van Veldhoven over de vraag of de Nederlandse Bach Vereniging bereid zou zijn deze zestig cantates als illustratie bij het boek op CD te zetten (om budgettaire en praktische redenen in zo klein mogelijke bezetting – de Bach Vereniging ziet er helaas geen kans voor) bracht Jos uiteraard zijn voornemen ter tafel om koor (en orkest) van de Bach Vereniging standaard tot de kleinst mogelijke bezetting terug te brengen.’ De weigering van Jos van Veldhoven mee te werken aan het Bachproject ‘in zo klein mogelijke bezetting’ van Gert Oost vormt dus de aanleiding tot zijn frontale aanval op de ‘authentieke beweging’. Met die wetenschap in het achterhoofd komt het mijns inziens toch al flauwe betoog van Gert Oost in een meer bedenkelijk daglicht te staan.


Ingezonden schrijven Volkskrant

Op 7 maart 2005 ging een ingezonden schrijven naar aanleiding van het verhaal van Gert Oost richting Volkskrant. Ik verkeerde in de veronderstelling dat de redactie van die krant het onzinnige verhaal ‘Dan moet de dirigent ook weg’ als een scoop zou zien en niet tot plaatsing van mijn reactie zou overgaan. Zaterdag 12 maart 2005 bleek mijn ongelijk in deze. De Volkskrant plaatste de ingezonden brief onverkort. Mij past dus het boetekleed.

Het ingezonden schrijven:

Romantische visie op Bachkoren

‘Dan moet de dirigent ook weg’ kopt de bijdrage van organist/musicoloog Gert Oost in de Volkskrant van zaterdag 5 maart 2005. Oost reageert op het besluit van de Nederlandse Bachvereniging het kooraandeel in Bachs werken te reduceren tot ‘de kleinst mogelijke bezetting’. In zijn verhaal ridiculiseert Oost een door de Amerikaanse musicoloog Joshua Rifkin in 1981 aangezwengelde discussie over het essentiële Bachkoor. Ik vraag me af of de Utrechtse organist kennis heeft genomen van het zeer lezenswaardige boek van Andrew Parrott The Essential Bach Choir (Boydell & Brewer Ltd, ISBN: 0851157866). Dat zal wel niet, want hij zou in dat geval beter hebben geweten of in elk geval overtuigender argumenten hebben aangedragen om het ongelijk van Bach-in-kleine-bezetting aan te tonen. Parrott beweert dat Bach nooit de bedoeling had te werken met een koor zoals wij dat heden ten dage kennen. Hij onderbouwt zijn pleidooi voor het kleine Bachkoor onder andere met aantekeningen van de grote meester zelf en andere documenten uit Bachs tijd.
Ten tijde van Bach was het gebruik óók in de passies de ‘koorwerken’ op te laten knappen door een concertisto-kwartet. Zo’n viertal bestond uit een jongenssopraan, alt, tenor en bas. Die namen alle partijen voor hun rekening. Inderdaad, de bas verantwoordelijk voor de Jezus-partij in de Mattheus passie zong even gemakkelijk het ‘Kruisigt Hem!’ met de anderen mee. Een tweede kwartet zangers werd door Bach ingezet als een versterkende eenheid in bijvoorbeeld de openingskoren en de koralen. Deze zogenoemde ripienisten verdubbelden als het ware op momenten die daarom vroegen de hoofdzangers. Ook de bijdragen van Pilatus en Petrus werden gebracht door leden van dit groepje.
Het is opvallend dat Parrotts theorieën over het essentiële Bachkoor voornamelijk worden gerespecteerd door musici die geen koortraditie kennen. Tegenstanders van Parrotts zienswijze komen vooral uit de hoek van de koordirigenten of behoren tot wat ik gemakshalve noem de romantici. Gert Oost behoort wat mij betreft tot de laatste categorie. Hij zou er goed aan doen kennis te nemen van Parrotts lezenswaardige boek. Ontdekt hij daar feilen in dan kan hij als musicoloog die vervolgens met kracht van argumenten bestrijden. Met platitudes bewijst hij de muzikale nalatenschap van Bach geen dienst.

Kees Koudstaal
handelaar in klassieke cd’s te Baarn

Vivaldi bezien vanuit een ivoren toren

Mijn verstandhouding met muziekrecensenten is in het algemeen gesproken niet al te denderend. Wat mij betreft lopen ze te graag en te veel aan de leiband van de grote cd-producenten. Daarop aangesproken reageert het muziekjournaille altijd zeer verontwaardigd. ‘Wat denkt u wel!’ En, ‘Ik ben onkreukbaar!’ Een openbare uiting van mijn kijk op hen in een Vrij Nederland van een paar jaar geleden leverde zelfs een nogal boze brief op van de nestor der Nederlandse recensenten, de NRC-er Kasper Jansen. Hij schreef overwogen te hebben zijn hoofdredactie aan te sporen naar de rechter te stappen. Daar is het helaas nooit van gekomen. Ondertussen heeft het uiten van kritiek op de dames en heren muziekjournalisten weinig zin. Zij zitten hoog en droog in de spreekwoordelijke ivoren toren, beschikken over de publieke pen en gaan gewoon hun gang. Daar is geen kruid tegen gewassen.

Cd-producent Decca lanceerde onlangs een Vivaldi-album van Nederlands nieuwe nationale trots de violiste Janine Jansen. Over de uitvoering kan ik kort zijn. Naar mijn mening is haar visie op de Vier Jaargetijden er een die niets toevoegt aan de bestaande cd-catalogi. Ik had dat graag anders gezien, want aangespoord door de publiciteitsmachine van Universal Classics gaat de nieuwe van het ‘meisje’ Jansen bij mijn collegae als zoete broodjes over de toonbank. Alhoewel in kleine bezitting uitgevoerd, klinkt Janine Jansens Vivaldi mij allemaal wat te dik aangezet en vooral weinig gearticuleerd. Kasper Jansen daarentegen typeert de opname als ‘helder, intiem, levendig, contrastrijk en effectvol […] aangenaam, plezierig, elegant en speels’. Op deze promotionele bijwoorden zou ik niet reageren als de recensent niet en passant de historische uitvoeringspraktijk in de foute hoek zette. De macht van de publieke pen bestaat er onder andere uit dat zij maar een paar woorden nodig heeft om vooroordelen te bevestigen.

recensie_jansen_vivaldi

 

Daarom stuurde ik onderstaand ingezonden schrijven naar de redactie van NRC Handelsblad. Natuurlijk is die bijdrage niet geplaatst. U kent de standaard antwoorden wel: ‘Helaas moeten wij u mededelen dat wij uw ingezonden brief niet zullen plaatsen. NRC Handelsblad ontvangt dagelijks zoveel brieven dat we ze onmogelijk allemaal kunnen opnemen. Selectie is dus noodzakelijk. Blablabla…’ Kritiek op eigen medewerkers houdt men liever buiten de krant.


De geweerde ingezonden brief

‘Wie, zoals Janine Jansen, furore wil maken met de zoveelste uitvoering van de Vier Jaargetijden van Vivaldi, moet opvallen’, schrijft uw recensent Kasper Jansen in de NRC van 5 oktober jl. Hij roemt de foto’s van de violiste die zijn opgenomen in het begeleidende cd-boekje en typeert de uitvoering als helder, intiem, contrastrijk, effectvol, aangenaam, plezierig, elegant en speels. Dat ík daar weinig of niets van terug hoor in Janine Jansens Vivaldi moffel ik maar weg onder de dooddoener ‘smaken verschillen’.

Ik val over iets anders. Kasper Jansen rept in zijn recensie over verbeten scherpte en hoge tempi die sommige streng authentieke opnamen kenmerken. Zo zet hij wel heel gemakkelijk de historische uitvoeringspraktijk in de foute hoek. Feiten en rugnummers graag meneer Jansen! Wel eens naar de versies van de violisten Fabio Biondi, Giuliano Carmignola of het ensemble Concerto Italiano geluisterd?

De 38.58 minuten Vivaldi van de familie Jansen voegen mijns inziens niets van waarde toe aan de bestaande cd-catalogi. De cd is hooguit voor verzamelaars van babe foto’s een interessant object. Maar misschien komen die nóg beter aan hun trekken met de onlangs gelanceerde Pamela Anderson kalender.

0 (= negatief) + 10 (=positief) = 10 (=positief) Toch?

“Jij bent altijd zo negatief!”, beet een goede vriend me laatst toe. We spraken over de violiste Janine Jansen. Ik waagde het te zeggen haar eerste cd niet overtuigend te vinden en meldde dat ik haar aankomende Vivaldi-album op voorhand al naar de prullenmand verwees. Toegegeven, dat laatste had ik beter niet kunnen zeggen. Het Vivaldi-album van Janine heb ik immers nog niet beluisterd. In sommige gevallen is het beter de dingen niet te horen, maar de opmerking van mijn vriend zette mij wel aan het denken. Lees verder 0 (= negatief) + 10 (=positief) = 10 (=positief) Toch?